Werk van Schouten

mijn werk

MIJN BOEKEN

Het is al weer jaren geleden dat een vriend me wees op een antiquariaat dat een boek van mij in de etalage had met de vermelding ‘Vroeg werk, f 25,-.‘ Dat was Marihuana en hasjiesj (Bruna 1969), over wat we toen nog zagen als onschuldige genotmiddelen. Het heeft zijn geldigheid dus verloren. Mijn tweede boek was een documentaire over de Nederlandse arbeidersbeweging in de 19de eeuw, De socialen zijn in aantogt (Van Gennep 1976), dat ik nog graag inkijk, met bewondering voor de vormgeving door Jacques Janssen. Nummer drie was Billie en de president (Arbeiderspers 1977), een bundel over jazz, door Peter Buwalda vereerd met een vermelding in zijn bestseller Bonita Avenue.

Daarmee waren, zoals zou blijken, de grote lijnen neergezet: muziek en sociale geschiedenis. Die geschiedenis vatte ik ruim op, ook de hedendaagse hoorde erbij, en ik maakte een bundel interviews met onbekende Nederlanders over wat ze de hele dag doen en daarvan denken: Werk (Arbeiderspers 1978). Een pil met een opvallend geel omslag, dat ik wel eens zag bij mensen die op tv werden geïnterviewd voor hun boekenkast, onder wie Albert Heijn. Toneelgroep Centrum maakte er een voorstelling van die mijn leven en werk verrijkte met een derde lijn. Centrum vroeg me om ook eens direct wat voor toneel te schrijven, wat leidde tot drie eenakters, waarvan er twee zijn gespeeld. Welkom in Sjanghai was de titel van het eerste stukje, over een man die worstelt met oorlogsherinneringen. Amateurs hebben het nog een paar jaar gespeeld en De Volkskrant vroeg me als toneelrecensent. Einde toneelschrijverij, een gezelschap ziet je aankomen met je stuk als je net een voorstelling hebt neergesabeld. Dat ook daar een boek van zou komen kon ik toen nog niet bevroeden.

Ik had dus De socialen zijn in aantogt geschreven, dat liep tot ongeveer 1890, en Werk, over de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Het gat daartussen wilde ik dichten, liefst ook met interviews. Vanaf de jaren dertig zou dat nog net kunnen, die mensen leefden nog, en ik maakte een lijst van gebeurtenissen waarbij ik ooggetuigen zocht en dat werd Voor de oorlog (Bezige Bij 1982). De oogst was zo rijk dat ik er nog twee boeken aan overhield. De Zaak Oss (Bezige Bij 1982) lag voor het oprapen, de film De Bende van Oss heeft er zijn voordeel mee gedaan en onder die titel is een  sterk verbeterde herdruk verschenen (Just Publishers 2011). In 1933 stak de Leidse metselaar Van der Lubbe de Rijksdag in Berlijn in brand stak en ik vond in Leiden oude vrienden van hem, wat leidde tot een biografie van Marinus van der Lubbe (Bezige Bij 1982), die kunstenaars inspireerde tot toneelstukken, een film en een monument. Het boek is vaak herdrukt en bijgewerkt (laatste en wat mij betreft definitieve editie Bezige Bij 2008).

Ik wilde een vervolg maken op Voor de oorlog. Niet met In de oorlog, daar was al genoeg over, leek me, al is het er later toch van gekomen met Bevrijd (Nieuw Amsterdam 2004), een bundel monologen over hoe de oorlog verdween, van Limburg tot Groningen, provincie na provincie, met uitlopers naar Auschwitz en Nederlands-Indië. De oorlog laat zich niet overslaan, die is er altijd en daar moet je niet voor weg  lopen. Maar ik wilde Na de oorlog, daar was nog bijna niets over. Wat gebeurde er bijvoorbeeld met de Hollandse Schouwburg voor het een monument werd? Na de oorlog werd er geen toneel meer gespeeld en het gebouw werd overgeleverd aan de elementen, de beelden dreigden van de dakrand te storten, ja, zo gaat dat met onverwerkt leden, je moet er iets mee, anders krijg je ongelukken. Ik probeerde weer een lijst te maken, zoals voor de jaren dertig, maar dat lukte niet. Wie kon ik interviewen? Ik had die tijd zelf meegemaakt, misschien moest ik mezelf ondervragen, wat natuurlijk larie is, dat vroeg om een andere vorm en ik besloot om drie romans in aanbouw te nemen, één over de late jaren veertig en de jaren vijftig, één over de jaren zestig en één over de jaren zeventig, elk met een stijl en vorm, typerend voor de periode. Dat werden Studio Voorland (Bezige Bij 1990), over de Hollandse Schouwburg, Hotel Terminus (Bezige Bij 1987), over de trek naar de stad in de jaren zestig, en Huize Nieuwstad (Bezige Bij 1993), over de politieke linksheid van de jaren zeventig.

Intussen was de Nederlandse werkelijkheid aan het veranderen, ik vond dat de veelbesproken allochtoon zelf aan het woord moest komen en dat werd de interviewbundel Kleur (Bezige Bij 1992), bekroond met de Media prijs van de Gemeente Amsterdam en, wat mij meer deed, een toneelversie door allochtone amateurs. Zelf was ik er in die tijd niet zo goed aan toe, mijn vriendin pleegde zelfmoord, en ik reisde weg van mezelf, maar ook niet, ik ging naar de Schouteneilanden, zo genoemd door een 17e-eeuwse naamgenoot, zeeman en ontdekkingsreiziger. Reis en rouw verwerkte ik tot de novelle De spiegel en de blinde (Bezige Bij 1996), later als Het eiland van de menstruerende mannen opgenomen in mijn familiekroniek Zelfportret met moeder (Nieuw Amsterdam 2003).

Zo brak een periode aan van reizen en ik ging mijn geliefde muziek achterna in Het Blues Museum (Bezige Bij 1993), een trip van New Orleans naar Chicago. De muziek die mij altijd gelukkig had gemaakt kwam van mensen die zelf niet  gelukkig waren en hun beweging voor gelijke burgerrechten was ook een beetje de mijne geweest. Ik reisde al die stadjes af in het diepe Zuiden om er nog iets van mee te krijgen en dat werd Zelfportret als neger (Nieuw Amsterdam 2006). Ik deed ook Jamestown aan, de eerste nederzetting van Engelse kolonisten in de latere Verenigde Staten, waar een Nederlands schip in 1617 de eerste Afrikanen aan land zette en zo de basis legde voor het ontstaan van de jazz, een nog grotendeels onbekend verhaal, uitgezocht met hulp van een zwarte schoolmeester. Staat in dat boek, met literatuurverwijzingen. Wie kans zag vluchtte naar Manhattan, daar was je als slaaf beter af bij de Nederlanders dan bij de Engelsen in Jamestown. Nu is dat een nationaal park, maar als je in het water kijkt zie je de schaduw van je kop, net als toen die Afrikanen en die ontroering neem je mee naar de Cotton Club aan de Amsterdamse Nieuwmarkt, als daar op zaterdagmiddag een jazzband speelt.

Poëzie was nooit mijn ding, maar ik heb zwarte kinderen gedichten ontlokt over de vliegtuigramp in de Bijlmer. Kinderen kan het niet schelen wat voor indruk ze maken, ze doen hun mond open en je hebt poëzie: Bijlmer Blues (L.J. Veen 2002). Op het Bijlmerplein mocht ik er een paar voordragen aan een radioverslaggever die Sam Jones heette en nog nooit had gehoord van de bassist die zijn naam droeg, laat staan van de drummer Art Taylor die een tandem met hem vormde. Swing, je moet er voor open staan. Net als voor toneel, die even wonderlijke als breekbare kunstvorm met een geschiedenis tot in de Griekse oudheid, dieper dan dat kun je niet komen. Veel verveling, zeker, maar ook vier of vijf keer per seizoen vreugde als alles zich voegt tot een geheel dat mij tot een soort klankkast maakt. Van het seizoen 2003-2004 mocht ik  de tien beste voorstellingen kiezen voor het Theaterfestival en mijn juryrapport werd een boek: Een jaar in het duister (L.J. Veen 2004). Ja, zo over toneel schrijven, best aardig, er waren bladen die dat wilden en ik doe het nog, in TM (Theatermaker betekent dat).

Theo van Gogh werd vermoord en ik moest er iets mee. Mohammed Bouyeri, zijn moordenaar, noemde godsdienst als motief. Of had hij gewoon bloeddorst waar hij een smoes bij zocht? Om die vraag cirkelt een roman die ik B. noemde, maar werd  uitgebracht als Het meisje met het hoofddoekje (Nieuw Amsterdam 2008). Van De socialen zijn in aantogt had ik het verlangen over gehouden om met die stof nog eens wat te doen en dat is een roman geworden over Het Palingoproer (Gibbon 2012), een tijdsbeeld van de jaren tachtig van de negentiende eeuw, met gastoptredens van Willem Kloos en zijn literaire vrienden, van George Breitner die hinnikt als een paard en van de eerste Nederlandse seksbom, de actrice Theo Bouwmeester. Dat oproer komt er natuurlijk ook in voor, gedetailleerder en levendiger beschreven dan ooit, aan de hand van politierapporten, krantenverslagen, justitiearchieven en de mappen ‘geheim’ in het archief van Binnenlandse Zaken.