Martin Schouten

martin schouten-0336

MIJN LEVEN begon in 1938 in Apeldoorn, niet ver van paleis Het Loo. Nu is dat een museum, maar ik heb er nog staan zingen voor prinses Wilhelmina. Mijn moeder woonde met mij, de enige man in huis, boven de door haar gedreven manufacturenwinkel en nam mij elke zondag mee naar de Christelijk Gereformeerde Kerk. Ik doorliep de Christelijke HBS in Apeldoorn en kwam toen in de leer bij boekhandel Bijleveld in Utrecht, waar mijn liefde voor de literatuur ontvlamde.
De dienstplicht bracht me naar Arnhem om de Rijnbrug te verdedigen tegen de Russen, die elk moment konden opdagen. Een serge-ant vroeg me waarom ik niet was gaan studeren, tja, dat was toch niet voor ons soort mensen en wie zou dat betalen? Hij hielp me bij het aanvragen van een beurs en ik ging sociologie doen aan de Vrije Universiteit, want mijn moeder wilde dat, anders kreeg het Ministerie van Onderwijs haar belastingopgave niet.
Amsterdam in de jaren zestig, je stampte op de grond en er was feest, maar niet aan de VU. Behalve bij het studentenblad Pharetra, dat mij wel in de redactie wilde. In café Welling, achter het Concertgebouw, opperde ik het plan om een nummer te maken vol interviews met bekende Nederlanders die van hun geloof waren gevallen. De universiteit was er niet blij mee, er kwam een rel en uitgever Bert Bakker zag er een boekje in, De kogel door de kerk (1965). Dat werd een opstapje naar de journalistiek.
Het Algemeen Handelsblad wilde me als verslaggever van provorellen, studenten die hun faculteitsgebouwen opsierden met spandoeken waarop de naam Karl Marx stond, kunstenaars die in het Rijksmuseum de Nachtwachtzaal bezetten en in het Concertgebouw een ‘Notenkrakersactie’ uitvoerden. Prachtige tijd, vooral als het gebouw van de krant ging trillen bij het aanzetten van de drukpers. Maar als ik daar ging kijken zag ik hoofdredacteur Henk Hofland bezorgd bij de teller staan en het liep in 1970 uit op een fusie met de al even noodlijdende NRC. Het nieuwe NRC/Handelsblad koos domicilie in Rotterdam en het ooit zo levendige gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam werd een soort sterfhuis voor een plukje redacteuren dat niet naar Rotterdam wilde, onder wie een broodmagere, oudere verslaggever die met een grote schaar in telex-kopij en foto’s knipte en als hij daar mee klaar was in de lucht ging knippen.
Opgelucht verhuisde ik naar het weekblad De Haagse Post, toen het Mekka van de Nederlandse journalistiek, met collega’s als Ischa Meijer, Cherry Duyns en Armando. We beoefenden daar wat toen ‘de nieuwe journalistiek’ werd genoemd, overgewaaid uit de Verenigde Staten. Levendig, persoonlijk, iets durven met de vorm. Mooie tijd, maar wel erg veel grote persoonlijkheden bij elkaar, dat kon niet duren. Ik kwam bij de Volkskrant en vond later weer werk bij HP/De Tijd, de intussen met De Tijd gefuseerde Haagse Post, waar nog altijd iets hing van wat we in de grote jaren van het weekblad ‘het HP’tje’ noemden. Onderkoeld, doortrokken van ironie, zit de oude hap nog wel eens in café De Pels.